Verschillende-manieren-van-voorlezen

Voorlezen op verschillende manieren

door Aniek Valkenier
Voorlezen is ontzettend leuk en gezellig voor zowel kind als voor ouders. Maar weet je ook dat verschillende manieren zijn om je kind voor te lezen? We geven je tips per leeftijdscategorie!

1. Verwoorden wat het kind doet en ziet (baby’s en dreumesen)

Er zijn speciale babyboekjes te koop en bij de bibliotheek te leen. De eerste interactie begint bij het verwoorden van wat de baby doet en ziet. Geef een baby bijvoorbeeld een voelboekje en vertel wat het kind doet (ermee gooien, erop sabbelen, ermee rammelen bijvoorbeeld). Daarnaast kun je ook vertellen wat de baby of dreumes ziet: wijs aan en benoem. Vooral een groot formaat prentenboek is daarvoor geschikt. Kleine kinderen vinden het heerlijk om een grote afbeelding goed te bekijken. Tot slot is het ook belangrijk om over het boek zelf te praten. Bijvoorbeeld door te zeggen ‘wat een mooi boek’ of ‘ik doe het boek open en sla de eerste bladzijde om’.

2. Plaatjes benoemen (peuters)

Bij de jongste peuters gaat het vooral om prentenboeken waarbij het draait om het benoemen en aanwijzen van de plaatjes. Jij of het kind wijst een plaatje aan en jullie praten er samen over: ‘Wat zie je?’.

3.  Plaatjes ‘aan elkaar rijgen’ (peuters)

In deze vorm wordt er interactief een link gelegd tussen de plaatjes. Kinderen gaan steeds meer een verband zien tussen de verschillende afbeeldingen en kunnen dat al goed ‘aan elkaar rijgen’ tot een verhaal. Voorbeeldvragen zijn: ‘Zou hij nu…?’en ‘Wat hij gaat nu doen?’.

4. Vertellend interactief voorlezen (peuters)

Bij deze vorm houdt je de rode draad van de teksten aan door vertellend verbad te leggen tussen de verschillende afbeeldingen/pagina’s. Voorbeeldvragen zijn: ‘Wat gebeurt er daarna? En dan? Waarom?’.

De volgende dingen zijn daarbij van belang:

  • De hoofdlijn aanhouden: ga vooral in op de activiteiten van de hoofdpersoon.
  • Vragen stellen: stel vragen die je kind uitdagen, na te denken over het verloop van het verhaal.
  • Taalgebruik afstemmen: leg moeilijke woorden uit, herhaal ze of gebruik ze als voorbeeld waardoor je kind het woord begrijpt.
  • Herhaal nieuwe woorden: bied nieuwe woorden herhaaldelijk aan op een andere manier. Het is beter je kind op een ‘natuurlijke’ manier woorden te leren, dan woorden uitgebreid uit te leggen.

5. Interactief voorlezen (ouder kind)

In deze vorm is je kind actief betrokken en ontlok je reacties op het net voorgelezen stukje. Dit kan bijvoorbeeld door het gelezen stuk te laten samenvatten, een fout voorbeeld te geven, te laten voorspellen of door iets te beweren en een pauze in te lassen, zodat je kind de gelegenheid krijgt om commentaar te geven.

 

6. Letterlijk expressief voorlezen (ouder kind)

In deze vorm lees je het verhaal ononderbroken (belevend) voor. Toch heeft deze vorm ook interactieve momenten: tijdens de introductie van het boek en bij de afsluiting na het voorlezen.

Vragen? Bel 070 - 7920101